De proeflap.

Voor patroon breien en voor wol of garen dat heel pluizig is zoals mohair, of Bouclé garens kun je de steken en toeren niet tellen.

 

Ook voor de breigeleider kun je het best als volgt te werk gaan.

 

Zet 60 steken op en brei 20 toer met contrast of restgaren,

 

Neem nu het goede garen en brei 30 toeren met  de steekgrootte die je denkt dat bij het garen en de steek past.

Merk dan de 21 naald aan beide kanten,

(doe dit met een goed afstekende kleur draadje)

er zitten dan altijd 40 steken tussen de beide 21ste naalden.

 

Brei nu weer 30 toer en eindig met 20 toer contrastgaren.

 

Wanneer je nu denkt dat de proeflap te los of juist te vast is gebreid maak dan nog een proeflap een steekgrootte losser of juist strakker.

Neem de tijd om een goede proeflap te maken je zult merken dat het resultaat dan ook een succes is.

 

Het meten van de Proeflap.

 

Meet de afstand tussen de gemerkte draadjes met de centimeter (niet uitrekken) en noteer deze.

Meet ook de afstand van de 60 toeren die je tussen de contrastkleur hebt gebreid: je weet wel die 2 keer 30 toer.

Noteer deze ook.

Je kunt nu elk gewenst patroon omrekenen.

 

Bij gebruik van de breigeleider kun je het beste je boek er bij pakken die bij je machine hoort om te zien hoe je deze moet instellen.

 

Het uitrekenen van de patronen.

          
Als de proeflap gebreid is, laat men deze ongeveer 8 uur rusten.
Dan moet je de toeren en de steken met een centimeter meten,
b.v. deze proeflap was,


 60 toeren = 16 cm.
 40 steken = 14,5 cm.

Nu teken je een patroon in het klein, b.v. van een trui, rok, vest, enz.
Daar je zet dan je eigen maten in.

Nu kun je met een rekenmachine uitrekenen, hoeveel toeren je moet breien en hoeveel steken er opgezet moeten worden.

 

Voorbeeld:

De zijkant van een pand tot het armsgat is 36 cm. 

dan toets je in,

36  : 16  x  60 =  135 toeren.

De breedte van een voorpand is 60 cm. dus toets je in,

60  : 14,5  x  40  =  165 steken